“Vijlens Verleden” in vogelvlucht

Het was op 6 december 1016 dat Keizer Hendrik II een hoeve, die later zou uitgroeien tot het dorp Vijlen en de omringende landen en bossen, schonk aan
de Abdij van Burtscheid. Toen was het een Benedictijner abdij, bewoond door monniken.
Keizer Hendrik ll was een religieus en vredelievend man, hij werd ook wel Hendrik de Goede genoemd. In 1002 kwam hij op de koningstroon van Duitsland en in 1014 werd hij tot Keizer gekroond van het Heilige Roomse Rijk. Hij had veel aandacht voor het geloofsleven van zijn onderdanen en deed erg veel voor de bevordering van het kloosterleven. Voor zijn steun aan de kerk werd hij in
1146 dan ook heilig verklaard.

Vijlen was niet groot, een paar boerderijtjes die vooral voor zichzelf zorgden en heel veel bosgebied. Voor de monniken van de abdij was het dorp een bron van inkomsten. Ze mochten in hun gebied recht spreken, boetes en belastingen innen.

Later, rond 1220, werd de abdij een klooster voor Cisterciënzerinnen. In die tijd was de Abdij van Burtscheid niet zo maar een klooster. De zusters hadden behoorlijk wat macht en bestuurden hun gebied als een vrijwel autonoom vorstendom. Vaak waren zowel de abdissen als ook de zusters van hoge adellijke afkomst. De abdis had zelfs zitting in de Rijksdag.
De zusters van Burtscheid bleven het gebied van Vijlen lange tijd besturen.
Pas in 1802, toen de Abdij van Burtscheid werd opgeheven, kwam Vijlen onder wereldlijk bewind.

De omgeving van Vijlen is al veel langer bewoond. In de Vijlenerbossen zijn grafheuvels gevonden die duiden op bewoning van dit gebied in de bronstijd, grofweg 3100 tot 3500 jaar geleden. Dit was een volk van boeren die zich op een vaste standplaats vestigden en daar huizen bouwden, akkers bewerkten en graan en groenten verbouwden.
Hun doden werden begraven in de grafheuvels die in de Vijlenerbossen nog steeds te zien zijn.

Ook de Romeinen streken neer in het gebied rond Vijlen. Er waren diverse grote Romeinse wegen in de regio, onder andere de Via Belgica en de weg van Aken naar Xanten. Deze Heerbanen brachten de nodige economische activiteit met zich mee. Er waren diverse grote boerderijen en boerderijen met landerijen gevestigd in de omgeving van het huidige dorp. De Romeinen noemden dit een “villa” of “vilare” en hierdoor kreeg het dorp zijn naam. In het dialect wordt het “Viele” genoemd, en dat werd in het Nederlands uiteindelijk Vijlen.

Tot in de 19e eeuw was Vijlen niet meer dan een verzameling van gehuchten en buurtschappen, deze werden ‘rotten’ genoemd. Het is niet helemaal duidelijk welke rotten precies samen Vijlen vormden, de meningen van de deskundigen lopen uiteen.
Er gebeurde niet veel. De zusters van Burtscheid werden wel meegezogen in allerlei politieke spelletjes en machtswisselingen, maar de bewoners in de kleine gemeenschappen merkten daar niet veel van. Het land werd bewerkt, er werd gejaagd en er moest brood op de plank komen. Door de constante heerschappij van de zusters bleef het vrij rustig.

De Munninkhöf en het dal van de Mechelderbeek zijn waarschijnlijk de oudste bewoonde gebieden van Vijlen zelf. De Munninkhöf is waarschijnlijk de plek waar de monniken van de Abdij van Burtscheid zich vestigden op hun bezit. De huidige boerderij stamt uit de 17de eeuw.

Rondom de Munninkhöf ontstond het eerste dorp. De grond was vruchtbaar, er was bronwater van de Mechelderbeek onder handbereik en het lag in een dal, wat weer voor enige beschutting zorgde tegen extreme weersomstandigheden. Het grote Vijlenerbosgebied lag vlakbij en zorgde voor brand- en bouwhout.
Het leven kabbelde voort. De grenzen van het dorp verlegden zich nauwelijks, er zijn veel overeenkomsten tussen oude kaarten en de grenzen van het huidige gebied. Wel werden er markeringen aangelegd door de diverse machthebbers. Ondanks dat de zusters het voor het zeggen hadden in de regio waren er natuurlijk wel diverse politieke ontwikkelingen die zorgden voor grensstenen en grensbomen. Deze zijn op verschillende plaatsen van het Vijlens grondgebied nog steeds te vinden. Mogelijk behoren de drie 300-350 jaar oude lindes daarbij, er is wel gesuggereerd dat ze een overblijfsel zijn van een oude Habsburgse grens, maar of dat klopt? Een daarvan kunt u tijdens deze wandeling zien na punt 4 als u
niet direct rechts afslaat maar even rechtdoor loopt.

De omwonenden hadden kaprechten in de Vijlenerbossen, dit was economisch gezien van zeer groot belang. Het hout gebruikte men met name als hakhout, daarvan werd vooral gestookt en gebruikt om op te koken. De regel was dat elk huis waar op 1 mei de schoorsteen brandde recht had op hout uit het bos. Dit waren de bewoonde woningen, want waar rook uit de schoorsteen kwam werd gekookt.
Het Vijlenerbos was 220 ha groot, dit perceel werd in 13 delen verdeeld, van ongeveer 15 ha. Deze delen van 15 ha werden per jaar gekapt in een roulerend schema. Zo duurde het steeds 13 jaar voordat er weer hetzelfde deel van
het bos aan de beurt was om gekapt te worden. Hierdoor konden er ook geen grote bomen groeien die gebruikt konden worden als bouwhout, daar was domweg de tijd niet voor. Het verlies van de kaprechten, vlak voor de Tweede Wereldoorlog, was voor de Vijlenaren een gevoelige slag.

De grond rondom Vijlen zit vol met mergel, een kalksteensoort. De Romeinen groeven al mergel af om als cement te gebruiken bij de bouw van woningen, de zogenaamde ‘villa’s’.
Mergel leverde omtrent 1875 ook meteen de belangrijkste industrie op die zorgde voor veel welvaart in het dorp. De mergel was in dagbouw op te graven en er werd een Cementfabriek gebouwd om mergel op industriële wijze te winnen. Veel mensen uit het dorpje vonden werk in deze fabriek. Er was een grote afzetmarkt met name in Aken waar toentertijd veel werd gebouwd. Na een bloeiperiode van een ruim vijftig jaar moest de fabriek echter definitief
de deuren sluiten. Er was minder afzet, de winning, de lonen en het vervoer werden te duur en de fabriek kon niet meer concurreren met het buitenland.

De Tweede Wereldoorlog raakte het dorp Vijlen nauwelijks. Er waren geen schokkende gebeurtenissen die hier plaats vonden. Het leven werd alleen moeilijker onder het juk van de bezetting. Helaas waren er ook hier enkele slachtoffers te betreuren.
Nu leeft het dorp nog steeds, ondanks een krimpende en vergrijzende bevolking. Het oefent, met name door de bijzondere natuur, het heuvelachtige landschap en het uitgestrekte Vijlenerbos, een grote aantrekkingskracht uit
op wandelaars en fietsers. De rust en de gemoedelijkheid van het leven in een klein dorp heeft nog steeds een prettige charme, zowel voor de dorpsbewoners zelf als ook voor de talloze bezoekers, die hier ieder jaar een of meerdere dagen hier doorbrengen.
De verenigingen bloeien nog, hoewel minder dan voorheen, de onderlinge betrokkenheid is nog steeds groot.

En dat is Vijlens Verleden, maar ook Vijlens Toekomst.